Mal d’Archive

Op pagina 39 bij Valeria Luiselli (2019) lees ik over hoe ze dreigt te verdwalen in haar ‘documentatiedoolhof’ en over ‘archiefkoorts’. Het blijkt een verwijzing naar het boek Mal d’Archive van Jacques Derrida. Ik zoek het op en ik vind bij Peter Krapp (1995) een Engelse introductie. Archive Fever, deze koorts leg ik persoonlijk positief uit, maar het malle is anderzijds, bij Freud bijvoorbeeld, toch echt een pijn, een soort ziektebeeld.

Derrida begint hier echt vóóraf aan het begin. Zoals zijn werkwijze betaamd deconstrueert hij het woord Archè of Arkhé zijnde een historische bepaling van een beginpunt alsmede het aanvangen met het doel tot iets. Hij tekent hierbij aan dat de methode van archiveren ook de uiteindelijke inhoud van het materiaal transformeert: een eigentijdse, digitaal-formele wending geeft aan de structuur en het verstaan. Procedureel het geheugen van en voor de toekomst. “A spectral messianicity is at work in the concept of the archive and like religion, like history, like science itself, this ties it to a very singular experience of the promise.”

Na de voorbereiding begin dit jaar gaan we in september gestructureerd verder met de ontleding van ons DeFKa-archief bestaand uit een collectie beeldende kunst, boeken en documentatie. De documentatie bestaat deels uit een tentoonstellingsarchief en kunstenaarsdocumentatie, maar ook beleidsstukken en overheidscorrespondentie. Wat gaan we hier van bewaren, wat verdient een blijvende plek in ons geheugen? Van de correspondentie in ieder geval de stukken die een bijzondere casus vertegenwoordigen en die verder niemand anders in bezit heeft. Van de beleidsstukken vooral ons eigen beleidsverband over de jaren. Een eerste screening leverde alvast een opmerkelijke waarneming op, namelijk dat de stichting DeFKa waarschijnlijk meer over kunstbeleid heeft geschreven dan de gemeente Assen tot nu toe. De Archivering inclusief de collectie beeldende kunst wordt tevens uitgangspunt voor het nieuwe magazine DeFKa Research SC.

Post: Over actueel kunst- en cultuurbeleid van Rijk en de grotere gemeenten voor 2021-2024 zie BK-informatie juli 2019-5. 

Foto3: pagina uit Archief van verloren kinderen, Valeria Luiselli, 2019. Foto1: pagina van nationaalarchief.nl/archiveren

 

 

 

Een collectie boeken

De DeFKa Collectie omvat ruim 70 kunstwerken, waaronder schilderijen, grafiek, objecten, muziekdragers, films/video en andere bijzondere voorwerpen, vaak aangekocht of anderszins verkregen vanwege de tentoonstelling op dat moment. Daarnaast beschikken we over een collectie documentatie, van en over kunstenaars, alsmede prints, films, catalogi en ongeveer 250 boeken over kunst, filosofie, poëzie en architectuur, plus de eigen uitgaven.

Sinds de sluiting van ons museum verzamelen we geen kunstwerken meer, tenzij ze in direct verband staan met het nieuwe project dat draait rond de redactie van een nieuw halfjaarlijks tijdschrift, DeFKa Research SC genaamd, en het thema Archivering.

In dit kader zijn er recent 8 boekwerken aangeschaft.

Vanwege de universalistische gedachtengang leek het boek Homo Deus, a brief history of tomorrow van Yuval Noah Harari een terechte aanschaf. Niet alleen vanwege de pretentie die Harari heeft met zijn grote lijnen en verwachtingen omtrent wat ons te wachten staat, maar ook vanwege zijn spel met geschiedenisconcepten en de brede bijval in de media die het boek als een specifiek tijdsmoment, als tijdsdocument, betekenis geeft.

Een tweede aankoop is het boek Brieven over kunst, de correspondentie tussen Theo van Doesburg en de broers Rinsema 1915-1931. DeFKa heeft in het verleden, 2016, een mooie tentoonstelling gemaakt met als titel Elementaire Beelding en bovendien is ons Architectuurpodium Cercle Meudon (2005-2019) mede gebaseerd op de positie die Van Doesburg heeft ingenomen. Het boek eindigt in 1931 met de afscheidswoorden van Evert Rinsema die ook gepubliceerd zijn in de laatste editie van De Stijl: “Wie strijdt uit eigen beweging verwekt beweging (strijd). Zoo is hij innerlijk en naar buiten centrum. Deze waarheid heeft zich in het leven van Van Doesburg verwezenlijkt”.

De derde publicatie is een gelegenheidsmanifest geschreven door Nelleke Noordervliet ter gelegenheid van de Maand van de Geschiedenis 2018. De titel Door met de strijd – Nederland en Opstand slaat op verschillende alhier gevoerde oorlogen, maar wil vooral verwijzen naar het begrip strijd en opstand. Niet voor niets wordt ook Albert Camus opgevoerd ter verdieping van het kritisch (terug) lezen. Het strijdige en het ‘opstaan’ is een bij uitstek culturele gemeenplaats die herhaaldelijk in de moderne en hedendaagse kunst een ‘avantgardistische’ of experimentele toonzetting mag ondersteunen.

Dat is bijvoorbeeld het geval bij de vierde aankoop, de bundel Tijdgeesten over de Tijdlijn van Adrie Krijgsman. Een schrijver die tot voor kort vooral poëzie publiceerde, pakt nu uit in wat hij zelf noemt “een taalexperimentele, poëtische wandeling door de stad Assen, door de tijdgeest (ook die van mijzelf) en over de tijdlijn van sociale media”. Een stuwend relaas, dat gezien zijn lokale decor goed past binnen de collectie.

De vijfde aanschaf betreft Archief van verloren kinderen van Valeria Luiselli, dat blijkbaar (2019) bijzonder snel is vertaald uit het Engels door Molly van Gelder en Nicolette Hoekmeijer. Een fenomenaal beschreven exposé waarin de urgentie van de zuidamerikaanse kinderemigratie wordt verbonden met eigen ervaringen van de hoofdpersonen, inclusief anthropologisch, epistemologisch en archivarisch onderzoek. Tevens de onderwerpen die centraal staan in ons komend magazine.

Zesde boek is Mathilda van Mary Shelley uit 1820 en in 2017 uitgeven in de vertaling van Marijke Versluys en met een nawoord van Hanna Bervoets. De zelfreflectieve vraag wordt nu heel erg acuut existentieel, namelijk: verzamel je op inhoudelijke tekst, of verzamel je ook op grond van contextuele kennis, op secundaire of tertiaire gronden, vormgeving, relaties  met andere boeken, kunstwerken, de collectie zelf, tijdgeest. Zo geformuleerd is het antwoord op alle aspecten vermoedelijk bevestigend. Mathilde is een erg persoonlijk verhaal van de schrijfster die aan het begin staat van een romantische modernwetenschappelijke kritiek dankzij dat andere boek Frankenstein, the Modern Prometheus (1818).

De volgende, zevende, publicatie betreft No more Hugh Laurie, an analysis of the existence of a character, uitgebracht door Stephanie Jack Engelbrecht. Dit werk is verschenen ter gelegenheid van haar afstuderen aan de Artez Kunstacademie 2019. Het geeft inzicht in hoe Engelbrecht zich verhoudt tot het beeldend vormgeven aan een personage en interpreteert het ‘fictieve’ verschil tussen tekst en beeld. Het talent van Engelbrecht is meervoudig, transdisciplinair in aanpak met aandacht voor overlevering.

De laatste, achtste, aanwinst bestaat uit een tweetal readers van Heike de Wit, eveneens verschenen als eindpresentatie Artez 2019, onder de titel Paratext Publishing. In dit grafisch project vestigt zij de aandacht op formele aspecten, het ontwerpen van een uitgave, maar legt daarbij direct de focus op de inhoud van de tekst. Dit gebeurt door middel van de introductie van een nieuw First Person magazine en een publieke lezing met als onderwerp onder meer genderpolitiek en post-humanisme.

Na het verzamelen “een vruchtbare vorm van vooruitschuiven” komt het Archiveren nader en naderbij “het heropbouwen van geheugen in verhalen”. (Luiselli).

 

 

 

Folly Art

Op de meest recente Dag van de Architectuur op vrijdag 14 juni gaven Rob en Ina Reynders een boeiende lezing over hun project Folly Art Norg dat dit jaar, in augustus, voor de tweede keer gehouden wordt. Er waren ruim 60 inzenders, afkomstig uit heel Nederland, waarvan twintig werden geselecteerd. Zij toonden beeldmateriaal van een aantal ontwerpen die veel verwachtingen losmaakten. De intentie blijft om een kleinschalig maar kwalitatief hoogstaande manifestatie te organiseren waarbij beeldende kunst, architectuur en natuur op een ongebruikelijke, ‘bizarre’ wijze samengaan. Als tijdelijke vorm van kunst in de openbare ruimte.

Opening op Zondag 4 augustus 2019, om 11.00 uur

http://follyartnorg.nl/bezoekers/

AE7C9CA0-C382-44BD-9DDA-CEDB67C37615

Een tweede gesprek over architectuur vond s’ middags plaats bij Rabarb Architecten. Van de lijst met actuele thema’s wierpen er twee veel discussie op. Namelijk de behoefte aan een integrale, stedelijke architectuurvisie zoals van een stadsarchitect of bouwmeester verwacht zou kunnen worden. De ontwerpwedstrijd voor het Koopmansplein mag dit illustreren.  En het tweede punt was aansluitend de eventuele nieuwbouw in het voormalig Havengebied. Wordt dit: Bedrijventerrein, Festivaldomein of Wooneiland? Er zijn diverse ideeën rond dit gebied gelanceerd, met name bijvoorbeeld tijdens Europan 12, maar met heel weinig tot geen gevolg. Communicatie over gemeentelijke bouwplannen, voornemens en programma’s, ook richting de lokale beroepsgroep – kunstenaars, architecten – komt spaarzaam tot stand.

Bemoedigende ontwikkeling in Assen is de lichte toename en renovatie van herbestemde locaties voor particulier wonen en kleinere winkels. Hoewel leegstand in de binnenstad nog lang niet is opgelost. Daarnaast lijkt de commotie rond het Koopmansplein inmiddels beslist in het voordeel van OKRA Landschapsarchitecten: uitvoering in 2020. Blijft over de herinrichting van de directe omgeving van dit centrale plein en de relatie tot het vastgoed.

De opgave die aanwezigen zich stellen is de mogelijke (her)invoering van een stedelijk overleg tussen architecten, kunstenaars, overheid en ngo-partners. De vraag naar punt 3: “de aspecten kwaliteit en experiment in steden- en woningbouw in Assen” inclusief cultureel klimaat en uitstraling van de stad is daarbij constant actueel.

 

 

 

Žižek’ s Universalisme

De DeFKa publicatie – Universalisme als Praktijk (2019) – belicht diverse visies en beeldende ervaringen die te maken hebben met het begrip Universalisme. Onder meer wordt in dit boek door Isabelle Duval een ‘nieuw modernisme’ bepleit (p.75) en Desta Matla schaart zich als chroniqueur achter Alexander Kluge’ s ‘Gegenöffentlichkeit’ (p.42). Deze thematiek kom ik nu in een andere optiek tegen bij Slavoj Žižek.

In zijn recente artikel in De Witte Raaf – Van Identiteit naar Universaliteit –  begint hij met de problematiek rond globalisering oftewel “de globale ruimte” versus  de individuele levenswijze. Hij definieert universaliteit als per definitie antigonistisch en immanent aanwezig in elke levenswijze en daarmee ook een mondiaal verschijnsel. Hierbij neemt hij stelling tegen een cultuurrelativistische visie die vooral diversiteit voorstaat, maar die tegelijkertijd wel haar eigen persoonlijk opvatting als universeel geldig aanbiedt. Hiermee sluit hij aan bij Étienne Balibar die ook meent dat zelfs anti-universalisme ook als universalistisch beschouwd kan worden, vanwege het absoluteren van het eigen gelijk. Dit universalisme dat bovendien bij realisering de mogelijkheid van radicale intolerantie in zich draagt. Deze controverse tussen overtuigingen betreffende algemeengeldigheid kunnen we ook daarom antigonistisch noemen, elkaar reëel tegengestelde strevingen.

De vraag die Žižek mijns inziens oproept is of er niet tegelijkertijd een soort dialectiek aan het werk is, namelijk dat bijvoorbeeld in het geval van emancipatiebewegingen het universele idee van gelijkwaardigheid zich tegen zichzelf keert door alleen de eigen emancipatie te benadrukken ten koste van andere zijns- en zienswijzen. Ook ten koste van een algemene, verondersteld gedeelde, bevestiging van waarheid, van waardigheid, van culturele presentie, van mensheid. Aan de andere kant kritiseert hij de arrogantie van het laissezfaire pluriformisme aangezien dit de daar aanwezige onderdrukkende elementen negeert. Hij sluit af met de opmerking dat je veel kunt zeggen van “de westerse erfenis”, maar dat zij ook gezorgd heeft voor een idioom van zelfkritiek. Daarbij haalt hij voorbeelden aan van een “radicalere moderniteit” en citeert Susan Buck-Morss: “Het afwezig zijn van iemands identificatie met het collectief maakt ondergrondse solidariteiten mogelijk die een kans hebben een beroep te doen op het universele, morele sentiment, de bron vandaag van enthousiasme en hoop”. Dat biedt een vergezicht naar een synthese die we in deze samenvatting aan de transversaal actieve verbeelding overlaten.

GW

https://www.dewitteraaf.be/artikel/detail/nl/4657

Slavoj Žižek, Als een dief op klaarlichte dag, 2019 (Like a thief in broad daylight: Power in the era of post-human capitalism, 2018)

Waar Gezien

Het zou kunnen dat ook de menselijke waarneming meer geprikkeld wordt door abstracte kunstwerken dan door realistische afbeeldingen, is de veronderstelling van recent onderzoek (Carlos Ponce e.a.). Wat ook kan, is dat het gewoonweg heel interessant wordt om door een niet geheel helder gestructureerde omgeving rond te wandelen. Zodat je (on)gedwongen op zoek gaat naar wat je wel herkent omdat je je graag wil oriënteren. Daar zijn veel mensen immers toe geneigd omdat blijkbaar enige zekerheid hieromtrent een goed gevoel oplevert.

In het Twents Rijksmuseum ontstond in ieder geval dat prettige gevoel waar wij naar op zoek waren. De tentoonstelling De naakte waarheid (tot 6/6) werd een mooie wandeling langs een bonte hoeveelheid kunstwerken die het ‘humane schepsel’ van velerlei kanten belicht en overal wel een vraagteken kon oproepen. “Naakt als metafoor voor de ontwikkeling die de westerse ‘beschaving’ heeft doorgemaakt”. Dit werd nogeens gecompleteerd met een eveneens zeer interessante toer langs de parallel lopende tentoonstelling Ars longa, Vita brevis, waarin hedendaagse kunstenaars een vorm van kritiek toevoegen aan bestaande kunstwerken uit de collectie, of bruiklenen, van het museum. Vervolgens liepen we door de gangen waarin ook een boeiend samenwerkingsproject van twee kunstenaars werd getoond: Lichtung van Sarah Grothus en Emmy Bergsma.

Hier in dit museum, lijkt bij de inrichting waarachtig aangestuurd te worden op een boeiend gesprek tussen kunstwerken, kunstenaars en publiek. Goed, de thematische benadering schiet al gauw in vrijgevige algemeenheden, maar die worden juist door de kunstwerken en de uitgediepte concepten flink genuanceerd. Inclusief het ‘westerse’ en sociaal (in)correcte binnen het traditionele kunstbegrip. Maar vooral ook oud en nieuw werk door elkaar, soms confronterend, soms ook doelbewust slordig en ‘abstract’ op een onpretentieuse manier.

Bij een andere tentoonstelling op een andere plek, np3 oftewel re:search:gallery in Groningen, kwamen we ook een aangename verrassing tegen. Daar was deze week voor het laatst de groepsexpositie te zien waarin actueel onderzoek het onderliggende motief was. Het kan: blijven kijken en naast de verschillen respectvol elkaars overeenkomsten erkennen.

Foto’s boven: DNWaarheid-Anne Wenzel, herman de vries,/zaalzicht. Foto’s onder: Np3-Desta Matla en Rutger de Vries,/text RTM

 

 

Het Verbond

Hoe je te verhouden tot een maatschappij, tot een beschaving, die gedomineerd wordt door ambities en het voortdurend streven naar erkenning in een tijdperk waarin nationalisme en klimaatonrust de dagelijkse thema’s zijn.

Tim Fransen schrijft in zijn essay dat de mens als medemaker van de beschaving zichzelf als feilbaar moet beschouwen. Hij pleit voor zelfrelativering als basis van cultuur. Kwetsbaarheid is zijn grondtoon en hij zet daar een ‘humaniserende’ humor tegenover. Doel is “dat de lach en de wijsheid een verbond zijn aangegaan”(p.146). We moeten het leven als een tragikomedie bezien is zijn motto en hij illustreert dat met sociaal-filosofische inzichten en een stuk of wat films. Daarbij gaan nogal wat open deuren heen en weer.

Tijdens een recente lezing gaf Tinkebell een aantal pregnante voorbeelden van hoe actief om te gaan met maatschappelijke pijnpunten in de hedendaagse maatschappij. Zij engageerde zich kritisch met zowel het Pegida-fenomeen en het agenderen van het kinderpardon als met de beweging van Forum voor Democratie. Daarbij de vinger leggend op het strakke organisatie niveau ter politieke rechterzijde en de genuanceerde verdeeldheid ter linkerzijde. Haar conclusie is dat kunst een inspirerende functie kan vervullen in de cultuur, juist omdat het op onverwachte wijze zaken kan blootleggen.

Waar Tim Fransen aanstuurt op een soort verzoening met het zelfbewuste sociale welzijn, opteert Tinkebell voor meer confronterende kunst. Waar Tim generiek de kunst richting ‘vooral ernstig’ wegschuift en daar humor als ‘vergevingsgezind’ tegenover stelt, daar pleit Tinkebell juist voor meer kunst die mensen aan het denken zet.

De optiek van Fransen is op zich sympathiek, bevordert compassie. Hij ziet de vrije ruimte die humor kan creëren, maar pakt niet door. Tinkebell doet dat wel en ziet het ‘wereldreddende’ potentieel dat kunst heeft vooral in het kennisdragende aspect ervan; dat een tegenwicht stimuleert ten aanzien van dagelijkse onrust.

Dat de verzoenende rol van humor ‘tot op heden onderbelicht is geweest’ zoals Fransen meent (pag.142), lijkt bovendien een misvatting. Een flink deel van de romantische literatuur doet namelijk vooral dat: accomoderen. Daarnaast is er al sinds de 19e eeuw een flink debat ontstaan betreffende het verschil tussen subjectieve, oppervlakkige humor en de objectieve, episthemische variant. De kunst- en cultuurtheorie heeft vervolgens in dit spoor vanaf midden 20e eeuw nieuw licht geworpen op de relatie visuele kunst en humor.  Best mogelijk dat die verschillende aanpak tussen tekst en beeld eigen is aan een specifiek traditioneel-disciplinaire opvatting: de literaire, conforme, mythologie naast de subversieve, ironische abstractie van de beeldende kunst.

Tim Fransen, Het leven als tragikomedie, essay voor de Maand van de Filosofie 2019.

Tinkebell, Clash, keynote speech, Grand Theater, Groningen, 7 april 2019.