Expositie – kenmerken

 

Expositie – kenmerken
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen kunstexposities als een ‘beleving’ en als een ‘ervaring’. Hier spreekt dan de idee dat ‘ervaring’ op te vatten is als een beleving met meer diepgang. Meer een kenniservaring dan een oppervlakkige gevoelsbeleving.
In Centraal Museum Utrecht is nu een expositie te zien met werk van Jan Taminiau, vormgegeven door Taminiau in samenwerking met Maarten Spruyt. Het is een riante show geworden met decorstukken en studioinstallaties waarin de beleving van het oeuvre van Taminiau en zijn werkwijze sterk uitgelicht zijn. Er is royaal aandacht voor mode als spectaculaire kunstvorm naast het ambachtelijk proces van vormkeuzes en minutieuze materiaalbehandeling. Wat evenwel gekunsteld aandoet is de imitatie van authenticiteit in de expositievormgeving door middel van houten kratten, latten en pagina’s uit oude boeken.
Boven in het museum is er een tweedelige historische tentoonstelling over Erich Wichman (1890-1929). Een deel beslaat zijn beeldend werk, het andere zijn maatschappelijk engagement. Beeldend is hij een kunstenaar met vroeg abstract werk: schilderijen naast heel mooie grafische bladen. Wichman was een goede vriend van Theo van Doesburg, die hij beïnvloedde in theoretisch opzicht en waar hij zich later van distantieerde door te kiezen voor een ‘vrije’ kunstopvatting. Dit leidde tot een concentratie op gebruikte materialen, maar ook tot rare, vervormde, koppen. In zijn maatschappelijk engagement uitte zijn sympathie zich in extreme, literaire, keuzes voor een Rapaille-partij en fascistoïde kameraderie. Hoe verwarrend en gespleten de jaren 1920 in avantgardistische terugblik zijn geweest is hier nu goed te zien en te lezen.

Deze tentoonstelling over Wichman is wat betreft ‘ervaring’ een fraaie tegenhanger van Taminiau. Beide zijn instructief waar het gaat om twee soorten specifiek onderzoek, namelijk de transpositie van atelier naar een museumsituatie en de koppeling van kunst en romantische handelswijze.

*Dit najaar nog komt er een nieuwe biografie uit van Erich Wichman, met oeuvrecatalogus, door Frans van Burkom.
**In 1983 vond er reeds een Wichman-expositie plaats in Utrecht die overgenomen werd door het Drents Museum te Assen in hetzelfde jaar. Titel catalogus: Tussen idealisme en rancune.

Museale toekomst

Museale toekomst
Het Museumtijdschrift vraagt zich bij haar 30 jarig jubileum af hoe “Directeuren, kunstenaars en kenners” denken over het museum van de toekomst. Dat is lovenswaardig, haar eigen bestaan en ontwikkeling hangen er mee samen. Dat is ook meteen het advies van Imare Limon en Zippora Elders: musea moeten vooral zelfkritisch reflecteren op hun bestaansvoorwaarden, inclusief de relatie met bezoekers. Marieke van Schijndel lijkt daar al bij voorbaat van uit te gaan, vanwege de ‘democratisering van het museum’ in de digitale samenleving. Inmiddels heeft oudgediende Jhim Lamoree al geconcludeerd dat musea nu vooral concurreren met de amusementsindustrie, zoals de Efteling. Een ontwikkeling die volgens Hans Houweling en Robbie Cornelissen alleen maar extremer wordt en, verwachten zij, tot veler tevredenheid. Het begin van deze trend is ingezet door Willem Sandberg halverwege de vorige eeuw. Sandberg introduceerde bijvoorbeeld het eerste museale restaurant met het oog op de ambitie het museum te maken tot ‘een brandpunt van het leven van nu’. Dat is toch iets anders dan de hedendaagse branding van een pretpark? Of is dat inderdaad ‘het leven van nu’? In dat ene, brandpunt, geval is het spiegelen van een maatschappijbeeld een veel complexere (informatie-) taak en wordt tegenwoordig al vaak genoeg door andere instituten en daartoe gespecialiseerde platforms gedaan. De meeste critici zien daarbij vooral een toename, of overname, van en door technologische toepassingen, naast het continueren van bestaande functies.
Daar staan twee opmerkelijke geluiden tegenover. Mariana Castillo Deball die drie jaar geleden bij frieze.com reeds de behoefte vertolkte aan een museum van de leegte, met ‘meditatiezalen’. Hetgeen ons herinnert aan een jaren 1980 debat en de daarin gestelde, nogal rigide, keuze tussen kermis en kerkhof als museummodel. Kunstenaarsinitiatieven namen in dit debat het voortouw met extreme en hybride voorbeelden door jonge kunstenaarscuratoren.
Het andere verrassende geluid maakt Eelco van Lingen: ‘Ik vermoed dat we nu liever niet willen weten hoe het museum over dertig jaar functioneert, omdat we, bezien vanuit onze huidige positie, de maatschap­pelijke context van 2048 niet zullen kunnen begrijpen” (p.104). Het is duidelijk geen vergezicht, maar geeft wel een eerlijke stand van zaken met, naar we hopen, een open blik naar toekomstige verhoudingen, waarin keuzes gemaakt moeten worden op grond van een specifieke collectie in relatie tot publieksdoelstellingen. Een actuele erfgoedvisie in samenhang met een brede culturele infrastructuur waarin lokale omstandigheden serieuzer genomen worden dan economische ‘leisure’-principes. De toekomst laat zich niet veralgemeniseren, maar de discussie omtrent behoud van geheugen- en kennisobjecten verdient terecht alle aandacht.
Meer nog in dit jublileumnummer. Een aardig exemplarisch overzicht van kunst in de openbare ruimte van de afgelopen 30 jaar en een interessante recensie van Jeroen Junte naar aanleiding van California: Designing Freedom, een tentoonstelling van het Design Museum Londen, nu overgenomen in Den Bosch. Hoe het DIY-ideaal en het ‘radicaal optimisme’ uit de vorige eeuw deels werd gekaapt, gekapitaliseerd, door middel van huishoudelijk ‘design’. Anders gezegd: van Verbeelding naar Ombeelding naar Tegenbeelden.
Museumtijdschrift geeft verder een prima overzicht van het totaal aan (inter)nationale kunstevenementen tot uiting komend in spitse commentaren en bondige aanvullende teksten. Maar ook in dit kunstblad zie je het belang van advertenties als een soort speciale attractie. Het is een bladerblad. De digitale communicatie op de site heeft daarom extra zoekfuncties. Een goede aanvulling op je agenda.

*DeFKa Research organiseert jaarlijks in november de Sandberglezing. Wil Sandberg bracht in Assen zijn jeugd (1904-1919) door aan de Beilerstraat. Het Stedelijk Museum voor Hedendaagse Kunst Assen, SMAHK, maakte van 2009-2018 een zelfstandig deel uit van DeFKa.

Individualisme, Verbeelding, Voorwaarde

86A66399-4D5B-40A0-868C-46A1436FEE98.jpeg

Individualisme in Verbeelding
Nogal curieus stelde Joris Luyendijk na zijn kritische analyse van het neoliberale bankiersindividualisme deze voor als ‘rebels’ en logisch uitvloeisel van het permissieve jaren 1968-hippietijdperk. Hij hield vervolgens een pleidooi voor een meer paternalistische politiek, vergelijkbaar met de jaren vijftig. Precies tegen deze bijna Bolkensteinse pervertering van de geschiedenis opponeert Halsema middels een herwaardering van ‘de meest progressieve periode uit de Nederlandse geschiedenis’. Ze verwijst hierbij -zeer opportuun – naar het Manifest voor de jaren zeventig, zie Van der Lans/Verbij.
“Het individualisme van de jaren zeventig was een moreel individualisme, gebaseerd op de overtuiging dat de mens met zichzelf en de gemeenschap het beste voor heeft. Het individualisme van de jaren tachtig is daarentegen een economisch individualisme, dat ervan uitgaat dat de gemeenschap het meest gediend is met koel calculerende burgers die hun eigen materiële belangen vooropstellen”.
Dit verschil is Luyendijk natuurlijk ook niet ontgaan toen hij het bankiersmilieu als ‘amoreel’ kenschetste op de vraag naar de ethiek in de Verbeelding die juist in de collectieve ambities van die jaren 60/70 wel aanwezig was.

*Lezing Joris Luyendijk, Assen PZ, 6 april 2018
** Femke Halsema, essay Macht en Verbeelding, april 2018
***Leessuggestie: Merijn Oudenampsen, proefschrift 2018

FC99941D-4ADE-40F3-995E-82F671C8A08F

Verbeelding als Voorwaarde
Tijdens een compact betoog over het constitutieve karakter van de verbeelding ten aanzien van kennis en verwerkelijking, onderscheidde Albert van der Schoot primaire (Kant) en secundaire verbeelding (Coleridge). De eerste is vooral theoretisch-rationalistisch van aard, bij het tweede is vooral betekenis en zingeving bepalend. Hetgeen tevens een groeiende artistieke verruiming (Blake) betrof richting empirisch onderzoek en imitatiedwang. In dialoog met zijn publiek kwam Van der Schoot tot een nuancering van jaren 68 ambities: de idee van maakbaarheid moest uiteindelijk gerelativeerd. Oftewel, de verwachtingen die de Verbeelding opriep moesten worden bijgesteld. Dat zou de les kunnen zijn als het gaat om nieuwe handelingsperspectieven.

Onuitgesproken en complexer blijft de vraag naar de communicatieve symboliek, de verstaanbaarheid van (beeld)taal. Met andere woorden: het singuliere of universele begrip – de mogelijke, vrije, interpretatie – van Verbeelding. In het verlengde daarvan verschijnt opnieuw de relatie kunst-filosofie-mythologie.

*Lezing Albert van der Schoot, Assen ZIZ, 8 april 2018
**Leessuggestie: William Blake, The Marriage of Heaven and Hell, 1793

Correctie Activiteiten Agenda

Lezing Gawie Keyser op 12 april gaat niet door.
In plaats daarvan: op Zondagmiddag 29 april, 15.30 – 17.00 uur, Afsluiting Maand van de Filosofie. Voorafgaand filmvertoning om 14.00 uur “in huiselijke kring” en daarna discussie om 15.30 uur naar aanleiding van essay Macht en Verbeelding geschreven door Femke Halsema.
Locatie: DeFKa Research/Boekhandel Van der Velde.
Noot: Reserveer aub of mail voor meer informatie.

Lezing Joris Luyendijk met ‘De bankiers aan de macht … of toch de verbeelding’ op 6 april in Podium Zuidhaege. Organisatie in samenwerking met Metaforum Assen. Noot: Toegangskaarten uitverkocht.

Verbeelding en macht

April is de Maand van de Filosofie. Thema in 2018 is Verbeelding aan de macht.
Het Instituut voor Maatschappelijke Verbeelding analyseert de eigen aard van de verbeelding: “Voor ons staat die eigen werking voorop: in de verbeeldingstheorie zien we de verbeelding als een domein dat door een eigen logica en dynamiek in staat is tot het scheppen van beelden die in de sociale realiteit niet zonder meer voorhanden zijn en zo een toegevoegde waarde hebben”. De gangbare benadering is uit op het vergelijken van verbeelding en realiteit. Daarin staat echter de Afbeelding van een feitelijke aard, van een normatieve realiteit, centraal.
Bij Verbeelding echter “tekent zich een bepaalde circulariteit af. Enerzijds dragen beelden actief bij aan de manier waarop we de samenleving ervaren of zien. Anderzijds zijn er bepaalde problemen of ervaringen uit de realiteit die op het niveau van de verbeelding worden verwerkt”.

Publiek weten
“Men zou het werk van de maatschappelijke verbeelding als een omweg kunnen kenschetsen, een denkbeweging die op het eerste oog om de reële problemen heen gaat. Denk aan datgene wat Lévi-Strauss hierover zegt. Hij typeert mythologie als de manier waarop een gemeenschap nadenkt over de problemen die ze niet in de realiteit kan oplossen. Voor vragen of uitdagingen die zich laten aanpakken binnen het kader van een gegeven werkelijkheid, is de mythologie minder relevant.” *

*Bouwstenen voor een historisch-analytische benadering. Gabriël van den Brink en Heidi de Mare, Leiden 2016-2017, in Geschiedenis, Beeld en Verbeelding, 2017, nr.4 (IVMV online).

foto – Opening Maand van de Filosofie bij Boekhandel Van Der Velde, Assen, woensdag 4 april, 2018, om 15.30 uur met tevens korte pitches over de activiteiten van metaforumassen.nl

Agenda
Zondag 29 april, 15.30 – 17.00 uur, Afsluiting Maand van de Filosofie. Voorafgaand om 14.00 uur filmvertoning in huiselijke kring i.h.k.v. ‘Verbeelding aan de macht’. Locatie: DeFKa Research/Boekhandel Van der Velde.
Noot: Reserveer aub of mail voor meer informatie.

Ecomodernisme, Deep ecology en l’Arte dei rumori

Aan de hand van literatuur, de boeken The Year of the Flood – Margaret Atwood; Frankenstein – Mary Shelley; Nineteen Eighty Four – George Orwell, vergeleek en bekritiseerde Jelte Hommes de uitgangspunten van het Ecomodernisme en Deep Ecology. Waar de eerste in hun Manifest (2015) het accent legt op wetenschap en technologie, samengevat in ‘het Antropoceen’ waarbij de mens centraal staat, legt de tweede het accent op de intrinsieke waarde van de natuur, veralgemeend als Biosfeer, waar de mens juist aan ondergeschikt zou moeten zijn. Hommes benadrukte in beide gevallen de machtsprocessen die in het hedendaagse ecologisch discours aan de orde zijn. Namelijk de mogelijke overschatting van de menselijke macht bij het ecomodernisme en de anonimisering van sturingsmechanismen bij de Deep Ecologists in relatie tot persoonlijke verantwoordelijkheid.
Ingeborg Entrop exposeerde het manifest l’Arte dei rumori van Luigi Russolo uit 1913, dat verscheen in het voetspoor van de Futuristen. In zijn manifest staat de muziekanalyse centraal waarbij het gebruik van dissonanten een integraal onderdeel wordt van de muziektheorie. Met als resultaat een ‘emancipatie van herrie’. Bovendien maakt Russolo ook bijbehorende objectinstrumenten en composities, steeds met het oormerk van de eigentijdse beleving: het geluid van het nieuwe 20e eeuwse machine- en grotestadstijdperk.
Deze inzet gebruikte Entrop als mal voor een ‘Asserintonarumori’, een wandeling door het Asserbos langs de zichtlijnen die bleken te functioneren als geluidskanalen. Het bos transformeerde in een muziekinstrument.
In de discussie naderhand speelde een drietal kerngedachten. De betekenis van ‘het manifest’ als tijdsmoment, taal als bemiddelaar tussen natuur en mens, de intensiteit van de zintuiglijke ervaring.