Architectuur, verslag 15 juni 2018

20180615_145503

De kritiek naar aanleiding van de binnenstadsvisie zoals samengevat in het verslag van 1 juni wordt doorgenomen. De recente ontwikkeling betreffende bouwactiviteit, en volumesplitsing, wordt herkend. In de media wordt bijvoorbeeld met name de opleving van jongerenhuisvesting uitgebreid beschreven. Dienaangaande valt de term ‘Assen a/d Maas’.
Echter op het gebied van culturele innovatie is totaal niets te merken. Op dat gebied, bijvoorbeeld atelierwoningen of experimentele studio’s, zou een lobby richting vastgoed of via Via (Stichting Vaart in Assen) geëntameerd moeten worden. De gemeente Assen heeft daar geen kijk op en van anti-kraak instellingen als Carex wordt niets vernomen. Of het nieuwe College moet met nieuw beleid komen.

Het volgende punt is de herziening van de culturele prijsvraag: de herbestemming van monumentale leegstaande panden. Wat overblijft na de actualisatie zijn 1)Brinkstraat 69 en 2)Havenkade 2. We voegen de volgende panden hier aan toe: 3)Brinkstraat 71, de oude bioscoop uit 1953, nu in gebruik als opslag. 4)Arendshorst a/d Nobellaan, verzorgingstehuis. 5)villa aan de hertenkamp/ex-Wisdom. 6) voormalig Melkfabriekterrein a/d Stadsboulevard. Dicks kampeerhal valt sowieso af, want dat deel van de Collardslaan wordt gesloopt ten bate van appartementen.

Architectuur en beeldende kunst. Ter sprake komt de tijdelijke expositie installatie van Margriet van Weenen in Drents Archief vanwege het ontbreken van een Stedelijke Galerie. Ook de nieuwe tunnel komt aan bod: de sensorlichtjes in de tunnelwand blijken toch een kunstwerk te zijn. De BK-app op de site van de gemeente Assen werkt naar behoren al missen we nog wat foto’s en ontbreekt er zowel een onderhoudsplan als een nieuw beleidsplan kunst in de openbare ruimte. Zie de beoogde opdracht voor een digitaal werk opa de Brink. Een eventuele ‘Asser architectuurprijs’ gaat naar het in onbruik geraakte, voormalige Melkfabriekterrein, zie boven.

Palermo is Assen. Dat is een hoogdravende, maar toch ook wel een beetje terechte associatie als wij het artikel van Sanneke Huisman met Bregtje van der Haak in MetropolisM (2018,nr.3) op ons laten inwerken. “Dat komt door Sacco di Palermo, een complex verhaal over hoe criminele vastgoedontwikkelaars mensen vanaf de jaren vijftig naar slechte appartementsgebouwen buiten het centrum hebben gelokt. Zowel deze nieuwe wijken als de achtergelaten binnenstad verloederden, met leegstand tot gevolg. Veel van deze gebouwen mogen nu door ons gebruikt worden voor de tentoonstelling”.
Het tweejaarlijkse fenomeen Manifesta, nu in Palermo, had haar opening ook dit weekeinde, vandaar. Wij van DeFKa Research doen namelijk het hele jaar een analyse van het concept en de pretenties van het zogeheten manifesterende moderne ‘Manifest’.

Zo leiden, ook in relatie tot architectuur en beeldende kunst, het convivialistisch en metamodern manifest tot een interessante bijdrage aan dit hedendaags discours. Metamodernisme kan gekenmerkt worden door de nadruk op ‘oprechte’ diversiteit en pluriformiteit zonder het doorgevoerd relativisme waar het postmodernisme weleens van beticht wordt. “We propose a pragmatic romanticism unhindered by ideological anchorage. Thus, metamodernism shall be defined as the mercurial condition between and beyond irony and sincerity, naivety and knowingness, relativism and truth, optimism and doubt, in pursuit of a plurality of disparate and elusive horizons. We must go forth and oscillate! “(by Luke Turner, 2011, *Employing the term metamodernism first used by Timotheus Vermeulen & Robin van den Akker in Notes on metamodernism, Journal of Aesthetics & Culture, Nov 2010)Convivialisme sluit daar in ethische zin bij aan door een kernachtig pleidooi voor ‘broederschap’.
Uiteraard hebben deze visies consequenties voor een stedelijke cultuur. De nieuwe stadsbouwmeester zou bij wijze van spreken hiermee een concept kunnen ontwikkelen voor een ‘diverse’ stad.

Het volgend onderwerp is het Universalisme-Project dat DeFKa Research binnenkort doet uitgaan. Het bestaat uit een oproep aan kunstenaars van alle disciplines, filosofen, schrijvers, om een essay, manifesto of werkstuk aan te leveren over het thema ‘Universalisme als Praktijk’. Gaat dit over Assen?, was de vraag. Antwoord: dat zou kunnen, maar dan als casus in een universeel kader. Projectthema stijgt dus van algemeen naar bijzonder en het is aan de deelnemers om dit in algemene zin mee op te vatten of juist van bijzonder naar algemeen een gezicht te geven. Dus naast een schriftelijk exposé kan een ruimtelijk of muzikaal uitgewerkt essay ingediend worden.

Tot slot konden we de nieuwe wethouder van Cultuur Gea Smith verwelkomen. Haar werd de nieuwe brochure-catalogus aangeboden die een overzicht biedt van de Trans-exposities uit 2017 die plaatsvonden in het Stedelijk Museum voor Hedendaagse Kunst.

Naderhand blijven er drie zaken over die er uitsteken. Stel dat de jongerenhuisvesting aanslaat, ook studenten aantrekt, dan verandert de populatie in de binnenstad en daarmee ook mogelijk de culturele behoefte.
Stel dat de vastgoedbeheerders in zijn voor een gesprek, dan zou er gepleit moeten worden voor juist een aanpassing aan die culturele behoefte in de sfeer van ateliers en culturele experimenten.
Stel dat het Noordelijke Experimenteerprogramma We the North werkelijk wil meewerken aan experimenten in Assen, dan zouden er plannen daartoe moeten worden ingediend via wethenorth@provinciegroningen.nl

NB. Verslag deel 1 van 1 juni 2018 staat op het weblog van het Architectuurpodium Assen: cerclemeudon.nl

 

Architectuur juni 2018

Het DeFKa Research organiseert samen met het Architectuurpodium Assen in juni twee gecombineerde activiteiten.

Vrijdag 1 juni – Dag van de Architectuur, thema: Binnenstadsvisie van Assen. 

In een openbare vergadering wordt de visie omtrent de stedelijke innovatie zoals vervat in het ‘Uitvoeringsprogramma Binnenstad’ (VIA, MKB, e.a.) nader geanalyseerd. Tevens wordt de aanzet gegeven tot het samenstellen van een excursie Binnenstad (A) en Buitengebied (B), rekening houdend met de aandachtspunten ‘leegstand’ en ‘havenkwartier’. Een aparte agenda hangt in de etalage.

Aanvang: 14.00 uur

Adres: Werkplaats Rolderstraat 21 

Contact: G.Wijlage, info@defka.nl

N.B. Vrijdag 1 juni geldt nationaal als Dag van de Architectuur (1,2 en 3 juni). Zaterdag 2 juni is bovendien Dag van de Bouw.

Vrijdag 15 juni – Maand van de Architectuur, deel 2, thema: stedelijke transformatie

Op deze dag vindt plaats de presentatie van TRANS, het catalogusverslag en jaaroverzicht SMAHK 2017 die zal aangeboden worden aan de gemeente Assen, eventueel wethouder Gea Smith alsmede de nieuwe stadsbouwmeester (ov).

Er wordt bovendien aandacht besteed aan de opening van Manifesta Palermo als ‘transcriptie’ stedelijke vernieuwing. Daarbij worden de manifesten van het Metamodernisme en Convivialisme betrokken.

Daarnaast is gelegenheid om de samenstelling van de excursies in te zien, wordt kritiek geïnventariseerd betreffende voortgang binnenstadsvisie en gaan we de cultuurprijsvraag  betreffende ‘herbestemming’ van Asser monumentale gebouwen actualiseren.

Aanvang, adres en contact hetzelfde: 14.00 uur, Werkplaats Rolderstraat 21.

Zie ook:

Cerclemeudon.nl

Tel. 0592 315316

Programma onder voorbehoud van wijzigingen. Voor actuele gegevens, plaats en tijd, kijk op defkaresearch.com.

Meer informatie over landelijke activiteiten met betrekking tot De Dag van de Architectuur, 1-3 juni nationaal en 16/17 juni Rotterdam, zie de site dagvandearchitectuur.nl

Ongelijke Denkkaders

Nietzsche denken

“Wij doodstille, onvermoeibare wandelaars….!”

Zo kan ik wel blijven doorgaan. Maar een recensie die alleen bestaat uit citaten is wel een beetje teveel van het goede. Maar dat heb je soms met die beroemde boeken die iedereen gelezen moet hebben en die eigenlijk in het basispakket zou moeten zitten van elke middelbare school. Want Nietzsche (1844-1900) heeft het over de moderne mens en de cultuur die ook door de mens wordt ‘vermaakt’. Hij zet zich af tegen de vaststaande begrippen en kennisprogramma’s die werkelijk nieuwe gedachten en experimentele onderzoeken belemmeren. Tegelijkertijd weet hij met verve het paradoxale mechaniek te verklaren dat debet is aan culturele verandering. Namelijk dat verzet inherent is aan ontwikkeling en vooruitgang. Hoe daar mee om te gaan, daar maakt hij zich vrolijk over. Hoewel, hij probeert dat. En ook die twijfel of dat lukt maakt hij onderdeel van ‘de wandeling’ die hij samen met de lezer onderneemt.

Nietzsche’s vrolijke wetenschap is een dankbaar boek om over bepaalde kwesties en uitspraken door te mijmeren. Het vereist een ander soort lezen dan een roman of wetenschappelijk vertoog. Het boek bestaat uit vijf delen met een onderverdeling in kortere filosofische hoofdstukken, aforistische teksten en gedichten. Daardoor nodigt het uit om willekeurig open te slaan en gewoon ergens te beginnen. Ook met dit in het achterhoofd: ‘ooit kom ik hier terug’. 

De invloed van Nietzsche’s sprankelende schrijftrant tot op de dag van vandaag is grandioos. Afgezien van de overbekende associaties als ‘Übermensch’ en ‘Godloosheid’, kunnen zijn teksten juist door hun tegenstrijdige en paradoxale kwaliteit flink misbruikt worden. Daarentegen zien we bij filosofen als Badiou en Deleuze inspirerende interpretaties van bijvoorbeeld het idee van ‘affirmativiteit’ – het conceptueel bevestigen van de levenswil – en het idee van ‘de plooi’ – de oppervlakte als teken van schijnbare diepzinnigheid. 

De nieuwe Nederlandse vertaling van Hans Driessen en Ard Posthuma maakt het boek zo eigentijds dat ik er moeilijk afstand van kan nemen. Het nawoord van Paul van Tongeren bevat gelukkig zeer nuttige leestips. Een mooie ondersteuning voor een volgende Maand van de Filosofie: “Wij kunstenaars, …..aanbidders van vormen, van klanken, van woorden”?!

Friedrich Nietzsche – De vrolijke wetenschap, Vantilt Nijmegen, 1887/2018

Collectief doen

Het nieuwe boek van Kees Vuyk gaat over ongelijkheid. Maar vooral over het “failliet” van het verheffingsideaal en de positief veronderstelde rol van de meritocratie. Dit is het rechtvaardig geachte belonen op grond van verdiensten in plaats van op grond van afkomst of bezit. Zijn argument is dat het verheffingsideaal, meer opleiding en onderwijs, talenten heeft uitgefilterd naar een reeds rijkere sociale (boven)laag. Hetgeen heeft geleid tot een ‘braindrain’ van de overige bevolkingsgroepen.

Hij komt tot de conclusie dat sociale cohesie sinds ongeveer halverwege jaren 1970 “fragiel” raakte en er een diepere kloof, een grotere ongelijkheid, is ontstaan tussen een minvermogende, ook intellectueel minder vermogend, en een meerbezittende klasse. De bestaande sociale ongelijkheid werd versterkt door een specifiek meritocratische en culturele. Maar bovendien wijst hij daarbij op het onvermijdelijke van deze ongelijkheid als gevolg van aangeboren intelligentie, die wij als maatschappij zouden moeten corrigeren. Dat betekent dat het idee van gelijke kansen een valse is, de maatschappij bevoordeelt bezit en overwaardeert competitie in deze in plaats van het collectieve culturele spel.

Ongelijkheid blijft bestaan maar we zouden daar anders mee om kunnen gaan: meer de gemeenschappelijke interesses opzoeken tussen de groepen mensen. Maar ook gewoon bekvechten over belangrijke kwesties, zoals hij eerder in een artikel betoogde (dec. 2016). Bijvoorbeeld denken over belonen van prestaties in plaats van papieren verdiensten zoals een c.v. of enkel de aanwezigheid van talent, opleiding of afkomst. Bovenal ook: andere denkkaders kunnen voorstellen.

Zijn onderzoek sluit goed aan bij het thema van de maand van de filosofie van een paar jaar geleden (2015). Destijds schreven Rutger Bregman en Jesse Frederik een fraai essay waarin eveneens de aanval op het emancipatoir bedoelde beginsel van gelijke kansen en de meritocratie werd ingezet.

Vuyk is een heldere schrijver die zijn Nietzscheaanse invloed niet ontkend. Kenmerkend is zijn pleidooi voor het spelkarakter van activiteiten “Het proces moet belangrijker worden dan de uitkomst” en het belang van voldoening in werk boven de waan van succes.

*Kees Vuyk, Oude en nieuwe ongelijkheid, Klement Utrecht, 2017

** leestip: Bas Meesters, Wie is wij, deGroene, 3/5/2018.

Wat maakt manifest

Wat maakt manifest

Geschiedschrijving placht zich vaak te bewegen tussen biografische ideeëngeschiedenis en sociaaleconomische beschrijvingen. Heeft Karl Marx de Russische revolutie veroorzaakt of was de directe aanleiding toch veeleer de armoe ten gevolge van tsaristisch feodalisme bijvoorbeeld. Is een ideaalbeeld sturend in de geschiedenis of maken de omstandigheden de situatie rijp voor verandering? Is het denken dus een voorwaarde of – ontwikkelpsychologisch gezien – gewoon een gevolg van sociale (r)evolutie met wisselwerking van culturele invloeden tot gevolg? Naast de twee hoofdrichtingen zien we die wisselwerking vooral terug in de ‘kleinere’ geschiedenissen, de lokale histoires, waarin mensen hun eigen draai geven aan gebeurtenissen, deze ook zelf initiëren en verder vormgeven, al dan niet onder ‘de radar’, buitenom de wereldgeschiedenis.

Wat maakt manifest? Ongetwijfeld hebben idealen en theorievorming een enorme impact gehad op maatschappij en culturele (her)ontwikkeling. Enerzijds via de klassieke filosofie en anderzijds via wetenschappelijke verdieping en, daar op voortbouwend, toegepast technologisch onderzoek. Niettemin lijkt juist die moderne toepassing van verdieping en kennis te leiden tot een scepticisme omtrent de werkzame kwaliteit van ideële gedachtevorming. In hoeverre zijn bepaalde idealen nog realiseerbaar? Vaak genoeg wordt, met een zucht, de vraag gesteld naar de mogelijkheden van verbetering in cultureel—politiek opzicht. Misschien accepteert men nog wel de notie dat de welvaart enigszins is toegenomen, maar de kans op toename van welzijn wordt fronsend ter discussie gesteld. Om deze stilstand, deze soms moeizame en frustrerende status quo te doorbreken, hebben kunstenaars en ideologen regelmatig van zich laten horen door middel van manifesten waarin een handreiking wordt gedaan. Waarin wordt opgeroepen tot verandering op een daartoe geëigende specifieke manier met inzet van bepaalde middelen.
Wat maakt manifest? De tergende kwestie achter deze manifesterende problematiek zou samengevat kunnen worden in de onzekerheid of een niet getoetst ideaal, of kunst, de wereld kan veranderen.
Eigenlijk een academische kwestie want hij kan in de beantwoording zowel volmondig ontkend worden als aantoonbaar bevestigd. Maar dat gebeurt meestal in enkelvoud als individu. Het gaat er nu om dat een manifest de pretentie heeft juist voor velen een feitelijke en radicale verbetering van toestand te bewerkstelligen. Een manifest wil per se de aandacht trekken en deze toespitsen op een actueel thema dat wordt geacht maatschappelijk en cultureel urgent en van het grootste belang te zijn. Het geeft een beeld van wat er op dat moment mankeert, een kritiek punt, maar wil daar wat aan doen, een aanbod tot aanpassing en herstel.
Wat maakt manifest? Bekende 20e eeuwse voorbeelden van manifesten zijn onder meer die van het Surrealisme (Breton), Futurisme (Marinetti), Dada (Tzara, Picabia), Situationisme (Nieuwenhuys, Debord). Meer tegenwoordig, om een paar te noemen, zijn daar het 21e eeuwse Ecomodernisme, Metamodernisme, Convivialisme, het recente Geen Stad zonder Kunst-manifest van Platform BK, maar ook een film over manifesten. Deze film Manifesto van Julian Rosenfeld verbeeldt in 13 episodes een aantal van bovengenoemde manifesten in specifieke omgevingen en stelt daarmee opnieuw de vraag aan de orde hoe manifesteert zich (de verlangens beschreven in) een manifest.
In de recensie voor filmvandaag.nl schrijft Tim Bouwhuis dat zowel de kracht als de zwakte van dit “meesterlijk manifest” is dat er focus ontbreekt, er is “geen nadrukkelijk omlijnde voorgrond”, het betreft hier “een divers discours”. Dit commentaar is een echo van wat er met enige regelmaat in idealistische kringen te horen is. Naast enorm enthousiasme en vrolijke start-bottum-up’s schijnt er ook een zekere onwil te zijn om scherper te formuleren, doelen nauwkeuriger te omlijnen. Op lokaal niveau zijn er uiteraard de lokale perspectieven, de kleinschalige kleine, dynamische, verhalen. Het oogmerk om meer universele omwentelingen te bewerkstelligen lijkt op een tactisch langere baan geschoven. Het idealisme dient eerst in zekere mate getest.
Beperkt de waarde van het manifest zich dan toch tot een publicitair tijdsmoment(je)? ’Het is gezegd, het staat beschreven’. Of kunnen we er van uitgaan dat er stevig aan doorgewerkt wordt, verder uitgewerkt,  in een visie of werkplan? Waar bevindt zich het knooppunt van denken en handelen? Wie masseert. Wat maakt manifest?
*Tijdens de afsluiting van Maand van de Filosofie op 29 april bracht het tafelgesprek tenslotte aan de orde: hoe de eigen culturele kring te verruimen en hoe de verschillende culturen (circuits, ‘bubbles’, sferen, cellen) op elkaar kunnen aansluiten.

Expositie – kenmerken

 

Expositie – kenmerken
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen kunstexposities als een ‘beleving’ en als een ‘ervaring’. Hier spreekt dan de idee dat ‘ervaring’ op te vatten is als een beleving met meer diepgang. Meer een kenniservaring dan een oppervlakkige gevoelsbeleving.
In Centraal Museum Utrecht is nu een expositie te zien met werk van Jan Taminiau, vormgegeven door Taminiau in samenwerking met Maarten Spruyt. Het is een riante show geworden met decorstukken en studioinstallaties waarin de beleving van het oeuvre van Taminiau en zijn werkwijze sterk uitgelicht zijn. Er is royaal aandacht voor mode als spectaculaire kunstvorm naast het ambachtelijk proces van vormkeuzes en minutieuze materiaalbehandeling. Wat evenwel gekunsteld aandoet is de imitatie van authenticiteit in de expositievormgeving door middel van houten kratten, latten en pagina’s uit oude boeken.
Boven in het museum is er een tweedelige historische tentoonstelling over Erich Wichman (1890-1929). Een deel beslaat zijn beeldend werk, het andere zijn maatschappelijk engagement. Beeldend is hij een kunstenaar met vroeg abstract werk: schilderijen naast heel mooie grafische bladen. Wichman was een goede vriend van Theo van Doesburg, die hij beïnvloedde in theoretisch opzicht en waar hij zich later van distantieerde door te kiezen voor een ‘vrije’ kunstopvatting. Dit leidde tot een concentratie op gebruikte materialen, maar ook tot rare, vervormde, koppen. In zijn maatschappelijk engagement uitte zijn sympathie zich in extreme, literaire, keuzes voor een Rapaille-partij en fascistoïde kameraderie. Hoe verwarrend en gespleten de jaren 1920 in avantgardistische terugblik zijn geweest is hier nu goed te zien en te lezen.

Deze tentoonstelling over Wichman is wat betreft ‘ervaring’ een fraaie tegenhanger van Taminiau. Beide zijn instructief waar het gaat om twee soorten specifiek onderzoek, namelijk de transpositie van atelier naar een museumsituatie en de koppeling van kunst en romantische handelswijze.

*Dit najaar nog komt er een nieuwe biografie uit van Erich Wichman, met oeuvrecatalogus, door Frans van Burkom.
**In 1983 vond er reeds een Wichman-expositie plaats in Utrecht die overgenomen werd door het Drents Museum te Assen in hetzelfde jaar. Titel catalogus: Tussen idealisme en rancune.

Museale toekomst

Museale toekomst
Het Museumtijdschrift vraagt zich bij haar 30 jarig jubileum af hoe “Directeuren, kunstenaars en kenners” denken over het museum van de toekomst. Dat is lovenswaardig, haar eigen bestaan en ontwikkeling hangen er mee samen. Dat is ook meteen het advies van Imare Limon en Zippora Elders: musea moeten vooral zelfkritisch reflecteren op hun bestaansvoorwaarden, inclusief de relatie met bezoekers. Marieke van Schijndel lijkt daar al bij voorbaat van uit te gaan, vanwege de ‘democratisering van het museum’ in de digitale samenleving. Inmiddels heeft oudgediende Jhim Lamoree al geconcludeerd dat musea nu vooral concurreren met de amusementsindustrie, zoals de Efteling. Een ontwikkeling die volgens Hans Houweling en Robbie Cornelissen alleen maar extremer wordt en, verwachten zij, tot veler tevredenheid. Het begin van deze trend is ingezet door Willem Sandberg halverwege de vorige eeuw. Sandberg introduceerde bijvoorbeeld het eerste museale restaurant met het oog op de ambitie het museum te maken tot ‘een brandpunt van het leven van nu’. Dat is toch iets anders dan de hedendaagse branding van een pretpark? Of is dat inderdaad ‘het leven van nu’? In dat ene, brandpunt, geval is het spiegelen van een maatschappijbeeld een veel complexere (informatie-) taak en wordt tegenwoordig al vaak genoeg door andere instituten en daartoe gespecialiseerde platforms gedaan. De meeste critici zien daarbij vooral een toename, of overname, van en door technologische toepassingen, naast het continueren van bestaande functies.
Daar staan twee opmerkelijke geluiden tegenover. Mariana Castillo Deball die drie jaar geleden bij frieze.com reeds de behoefte vertolkte aan een museum van de leegte, met ‘meditatiezalen’. Hetgeen ons herinnert aan een jaren 1980 debat en de daarin gestelde, nogal rigide, keuze tussen kermis en kerkhof als museummodel. Kunstenaarsinitiatieven namen in dit debat het voortouw met extreme en hybride voorbeelden door jonge kunstenaarscuratoren.
Het andere verrassende geluid maakt Eelco van Lingen: ‘Ik vermoed dat we nu liever niet willen weten hoe het museum over dertig jaar functioneert, omdat we, bezien vanuit onze huidige positie, de maatschap­pelijke context van 2048 niet zullen kunnen begrijpen” (p.104). Het is duidelijk geen vergezicht, maar geeft wel een eerlijke stand van zaken met, naar we hopen, een open blik naar toekomstige verhoudingen, waarin keuzes gemaakt moeten worden op grond van een specifieke collectie in relatie tot publieksdoelstellingen. Een actuele erfgoedvisie in samenhang met een brede culturele infrastructuur waarin lokale omstandigheden serieuzer genomen worden dan economische ‘leisure’-principes. De toekomst laat zich niet veralgemeniseren, maar de discussie omtrent behoud van geheugen- en kennisobjecten verdient terecht alle aandacht.
Meer nog in dit jublileumnummer. Een aardig exemplarisch overzicht van kunst in de openbare ruimte van de afgelopen 30 jaar en een interessante recensie van Jeroen Junte naar aanleiding van California: Designing Freedom, een tentoonstelling van het Design Museum Londen, nu overgenomen in Den Bosch. Hoe het DIY-ideaal en het ‘radicaal optimisme’ uit de vorige eeuw deels werd gekaapt, gekapitaliseerd, door middel van huishoudelijk ‘design’. Anders gezegd: van Verbeelding naar Ombeelding naar Tegenbeelden.
Museumtijdschrift geeft verder een prima overzicht van het totaal aan (inter)nationale kunstevenementen tot uiting komend in spitse commentaren en bondige aanvullende teksten. Maar ook in dit kunstblad zie je het belang van advertenties als een soort speciale attractie. Het is een bladerblad. De digitale communicatie op de site heeft daarom extra zoekfuncties. Een goede aanvulling op je agenda.

*DeFKa Research organiseert jaarlijks in november de Sandberglezing. Wil Sandberg bracht in Assen zijn jeugd (1904-1919) door aan de Beilerstraat. Het Stedelijk Museum voor Hedendaagse Kunst Assen, SMAHK, maakte van 2009-2018 een zelfstandig deel uit van DeFKa.