Architectuur juni 2018

Het DeFKa Research organiseert samen met het Architectuurpodium Assen in juni twee gecombineerde activiteiten.

Vrijdag 1 juni – Dag van de Architectuur, thema: Binnenstadsvisie van Assen. 

In een openbare vergadering wordt de visie omtrent de stedelijke innovatie zoals vervat in het ‘Uitvoeringsprogramma Binnenstad’ (VIA, MKB, e.a.) nader geanalyseerd. Tevens wordt de aanzet gegeven tot het samenstellen van een excursie Binnenstad (A) en Buitengebied (B), rekening houdend met de aandachtspunten ‘leegstand’ en ‘havenkwartier’. Een aparte agenda hangt in de etalage.

Aanvang: 14.00 uur

Adres: Werkplaats Rolderstraat 21 

Contact: G.Wijlage, info@defka.nl

N.B. Vrijdag 1 juni geldt nationaal als Dag van de Architectuur (1,2 en 3 juni). Zaterdag 2 juni is bovendien Dag van de Bouw.

Vrijdag 15 juni – Maand van de Architectuur, deel 2, thema: stedelijke transformatie

Op deze dag vindt plaats de presentatie van TRANS, het catalogusverslag en jaaroverzicht SMAHK 2017 die zal aangeboden worden aan de gemeente Assen, eventueel wethouder Gea Smith alsmede de nieuwe stadsbouwmeester (ov).

Er wordt bovendien aandacht besteed aan de opening van Manifesta Palermo als ‘transcriptie’ stedelijke vernieuwing. Daarbij worden de manifesten van het Metamodernisme en Convivialisme betrokken.

Daarnaast is gelegenheid om de samenstelling van de excursies in te zien, wordt kritiek geïnventariseerd betreffende voortgang binnenstadsvisie en gaan we de cultuurprijsvraag  betreffende ‘herbestemming’ van Asser monumentale gebouwen actualiseren.

Aanvang, adres en contact hetzelfde: 14.00 uur, Werkplaats Rolderstraat 21.

Zie ook:

Cerclemeudon.nl

Tel. 0592 315316

Programma onder voorbehoud van wijzigingen. Voor actuele gegevens, plaats en tijd, kijk op defkaresearch.com.

Meer informatie over landelijke activiteiten met betrekking tot De Dag van de Architectuur, 1-3 juni nationaal en 16/17 juni Rotterdam, zie de site dagvandearchitectuur.nl

Ongelijke Denkkaders

Nietzsche denken

“Wij doodstille, onvermoeibare wandelaars….!”

Zo kan ik wel blijven doorgaan. Maar een recensie die alleen bestaat uit citaten is wel een beetje teveel van het goede. Maar dat heb je soms met die beroemde boeken die iedereen gelezen moet hebben en die eigenlijk in het basispakket zou moeten zitten van elke middelbare school. Want Nietzsche (1844-1900) heeft het over de moderne mens en de cultuur die ook door de mens wordt ‘vermaakt’. Hij zet zich af tegen de vaststaande begrippen en kennisprogramma’s die werkelijk nieuwe gedachten en experimentele onderzoeken belemmeren. Tegelijkertijd weet hij met verve het paradoxale mechaniek te verklaren dat debet is aan culturele verandering. Namelijk dat verzet inherent is aan ontwikkeling en vooruitgang. Hoe daar mee om te gaan, daar maakt hij zich vrolijk over. Hoewel, hij probeert dat. En ook die twijfel of dat lukt maakt hij onderdeel van ‘de wandeling’ die hij samen met de lezer onderneemt.

Nietzsche’s vrolijke wetenschap is een dankbaar boek om over bepaalde kwesties en uitspraken door te mijmeren. Het vereist een ander soort lezen dan een roman of wetenschappelijk vertoog. Het boek bestaat uit vijf delen met een onderverdeling in kortere filosofische hoofdstukken, aforistische teksten en gedichten. Daardoor nodigt het uit om willekeurig open te slaan en gewoon ergens te beginnen. Ook met dit in het achterhoofd: ‘ooit kom ik hier terug’. 

De invloed van Nietzsche’s sprankelende schrijftrant tot op de dag van vandaag is grandioos. Afgezien van de overbekende associaties als ‘Übermensch’ en ‘Godloosheid’, kunnen zijn teksten juist door hun tegenstrijdige en paradoxale kwaliteit flink misbruikt worden. Daarentegen zien we bij filosofen als Badiou en Deleuze inspirerende interpretaties van bijvoorbeeld het idee van ‘affirmativiteit’ – het conceptueel bevestigen van de levenswil – en het idee van ‘de plooi’ – de oppervlakte als teken van schijnbare diepzinnigheid. 

De nieuwe Nederlandse vertaling van Hans Driessen en Ard Posthuma maakt het boek zo eigentijds dat ik er moeilijk afstand van kan nemen. Het nawoord van Paul van Tongeren bevat gelukkig zeer nuttige leestips. Een mooie ondersteuning voor een volgende Maand van de Filosofie: “Wij kunstenaars, …..aanbidders van vormen, van klanken, van woorden”?!

Friedrich Nietzsche – De vrolijke wetenschap, Vantilt Nijmegen, 1887/2018

Collectief doen

Het nieuwe boek van Kees Vuyk gaat over ongelijkheid. Maar vooral over het “failliet” van het verheffingsideaal en de positief veronderstelde rol van de meritocratie. Dit is het rechtvaardig geachte belonen op grond van verdiensten in plaats van op grond van afkomst of bezit. Zijn argument is dat het verheffingsideaal, meer opleiding en onderwijs, talenten heeft uitgefilterd naar een reeds rijkere sociale (boven)laag. Hetgeen heeft geleid tot een ‘braindrain’ van de overige bevolkingsgroepen.

Hij komt tot de conclusie dat sociale cohesie sinds ongeveer halverwege jaren 1970 “fragiel” raakte en er een diepere kloof, een grotere ongelijkheid, is ontstaan tussen een minvermogende, ook intellectueel minder vermogend, en een meerbezittende klasse. De bestaande sociale ongelijkheid werd versterkt door een specifiek meritocratische en culturele. Maar bovendien wijst hij daarbij op het onvermijdelijke van deze ongelijkheid als gevolg van aangeboren intelligentie, die wij als maatschappij zouden moeten corrigeren. Dat betekent dat het idee van gelijke kansen een valse is, de maatschappij bevoordeelt bezit en overwaardeert competitie in deze in plaats van het collectieve culturele spel.

Ongelijkheid blijft bestaan maar we zouden daar anders mee om kunnen gaan: meer de gemeenschappelijke interesses opzoeken tussen de groepen mensen. Maar ook gewoon bekvechten over belangrijke kwesties, zoals hij eerder in een artikel betoogde (dec. 2016). Bijvoorbeeld denken over belonen van prestaties in plaats van papieren verdiensten zoals een c.v. of enkel de aanwezigheid van talent, opleiding of afkomst. Bovenal ook: andere denkkaders kunnen voorstellen.

Zijn onderzoek sluit goed aan bij het thema van de maand van de filosofie van een paar jaar geleden (2015). Destijds schreven Rutger Bregman en Jesse Frederik een fraai essay waarin eveneens de aanval op het emancipatoir bedoelde beginsel van gelijke kansen en de meritocratie werd ingezet.

Vuyk is een heldere schrijver die zijn Nietzscheaanse invloed niet ontkend. Kenmerkend is zijn pleidooi voor het spelkarakter van activiteiten “Het proces moet belangrijker worden dan de uitkomst” en het belang van voldoening in werk boven de waan van succes.

*Kees Vuyk, Oude en nieuwe ongelijkheid, Klement Utrecht, 2017

** leestip: Bas Meesters, Wie is wij, deGroene, 3/5/2018.

Wat maakt manifest

Wat maakt manifest

Geschiedschrijving placht zich vaak te bewegen tussen biografische ideeëngeschiedenis en sociaaleconomische beschrijvingen. Heeft Karl Marx de Russische revolutie veroorzaakt of was de directe aanleiding toch veeleer de armoe ten gevolge van tsaristisch feodalisme bijvoorbeeld. Is een ideaalbeeld sturend in de geschiedenis of maken de omstandigheden de situatie rijp voor verandering? Is het denken dus een voorwaarde of – ontwikkelpsychologisch gezien – gewoon een gevolg van sociale (r)evolutie met wisselwerking van culturele invloeden tot gevolg? Naast de twee hoofdrichtingen zien we die wisselwerking vooral terug in de ‘kleinere’ geschiedenissen, de lokale histoires, waarin mensen hun eigen draai geven aan gebeurtenissen, deze ook zelf initiëren en verder vormgeven, al dan niet onder ‘de radar’, buitenom de wereldgeschiedenis.

Wat maakt manifest? Ongetwijfeld hebben idealen en theorievorming een enorme impact gehad op maatschappij en culturele (her)ontwikkeling. Enerzijds via de klassieke filosofie en anderzijds via wetenschappelijke verdieping en, daar op voortbouwend, toegepast technologisch onderzoek. Niettemin lijkt juist die moderne toepassing van verdieping en kennis te leiden tot een scepticisme omtrent de werkzame kwaliteit van ideële gedachtevorming. In hoeverre zijn bepaalde idealen nog realiseerbaar? Vaak genoeg wordt, met een zucht, de vraag gesteld naar de mogelijkheden van verbetering in cultureel—politiek opzicht. Misschien accepteert men nog wel de notie dat de welvaart enigszins is toegenomen, maar de kans op toename van welzijn wordt fronsend ter discussie gesteld. Om deze stilstand, deze soms moeizame en frustrerende status quo te doorbreken, hebben kunstenaars en ideologen regelmatig van zich laten horen door middel van manifesten waarin een handreiking wordt gedaan. Waarin wordt opgeroepen tot verandering op een daartoe geëigende specifieke manier met inzet van bepaalde middelen.
Wat maakt manifest? De tergende kwestie achter deze manifesterende problematiek zou samengevat kunnen worden in de onzekerheid of een niet getoetst ideaal, of kunst, de wereld kan veranderen.
Eigenlijk een academische kwestie want hij kan in de beantwoording zowel volmondig ontkend worden als aantoonbaar bevestigd. Maar dat gebeurt meestal in enkelvoud als individu. Het gaat er nu om dat een manifest de pretentie heeft juist voor velen een feitelijke en radicale verbetering van toestand te bewerkstelligen. Een manifest wil per se de aandacht trekken en deze toespitsen op een actueel thema dat wordt geacht maatschappelijk en cultureel urgent en van het grootste belang te zijn. Het geeft een beeld van wat er op dat moment mankeert, een kritiek punt, maar wil daar wat aan doen, een aanbod tot aanpassing en herstel.
Wat maakt manifest? Bekende 20e eeuwse voorbeelden van manifesten zijn onder meer die van het Surrealisme (Breton), Futurisme (Marinetti), Dada (Tzara, Picabia), Situationisme (Nieuwenhuys, Debord). Meer tegenwoordig, om een paar te noemen, zijn daar het 21e eeuwse Ecomodernisme, Metamodernisme, Convivialisme, het recente Geen Stad zonder Kunst-manifest van Platform BK, maar ook een film over manifesten. Deze film Manifesto van Julian Rosenfeld verbeeldt in 13 episodes een aantal van bovengenoemde manifesten in specifieke omgevingen en stelt daarmee opnieuw de vraag aan de orde hoe manifesteert zich (de verlangens beschreven in) een manifest.
In de recensie voor filmvandaag.nl schrijft Tim Bouwhuis dat zowel de kracht als de zwakte van dit “meesterlijk manifest” is dat er focus ontbreekt, er is “geen nadrukkelijk omlijnde voorgrond”, het betreft hier “een divers discours”. Dit commentaar is een echo van wat er met enige regelmaat in idealistische kringen te horen is. Naast enorm enthousiasme en vrolijke start-bottum-up’s schijnt er ook een zekere onwil te zijn om scherper te formuleren, doelen nauwkeuriger te omlijnen. Op lokaal niveau zijn er uiteraard de lokale perspectieven, de kleinschalige kleine, dynamische, verhalen. Het oogmerk om meer universele omwentelingen te bewerkstelligen lijkt op een tactisch langere baan geschoven. Het idealisme dient eerst in zekere mate getest.
Beperkt de waarde van het manifest zich dan toch tot een publicitair tijdsmoment(je)? ’Het is gezegd, het staat beschreven’. Of kunnen we er van uitgaan dat er stevig aan doorgewerkt wordt, verder uitgewerkt,  in een visie of werkplan? Waar bevindt zich het knooppunt van denken en handelen? Wie masseert. Wat maakt manifest?
*Tijdens de afsluiting van Maand van de Filosofie op 29 april bracht het tafelgesprek tenslotte aan de orde: hoe de eigen culturele kring te verruimen en hoe de verschillende culturen (circuits, ‘bubbles’, sferen, cellen) op elkaar kunnen aansluiten.

Expositie – kenmerken

 

Expositie – kenmerken
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen kunstexposities als een ‘beleving’ en als een ‘ervaring’. Hier spreekt dan de idee dat ‘ervaring’ op te vatten is als een beleving met meer diepgang. Meer een kenniservaring dan een oppervlakkige gevoelsbeleving.
In Centraal Museum Utrecht is nu een expositie te zien met werk van Jan Taminiau, vormgegeven door Taminiau in samenwerking met Maarten Spruyt. Het is een riante show geworden met decorstukken en studioinstallaties waarin de beleving van het oeuvre van Taminiau en zijn werkwijze sterk uitgelicht zijn. Er is royaal aandacht voor mode als spectaculaire kunstvorm naast het ambachtelijk proces van vormkeuzes en minutieuze materiaalbehandeling. Wat evenwel gekunsteld aandoet is de imitatie van authenticiteit in de expositievormgeving door middel van houten kratten, latten en pagina’s uit oude boeken.
Boven in het museum is er een tweedelige historische tentoonstelling over Erich Wichman (1890-1929). Een deel beslaat zijn beeldend werk, het andere zijn maatschappelijk engagement. Beeldend is hij een kunstenaar met vroeg abstract werk: schilderijen naast heel mooie grafische bladen. Wichman was een goede vriend van Theo van Doesburg, die hij beïnvloedde in theoretisch opzicht en waar hij zich later van distantieerde door te kiezen voor een ‘vrije’ kunstopvatting. Dit leidde tot een concentratie op gebruikte materialen, maar ook tot rare, vervormde, koppen. In zijn maatschappelijk engagement uitte zijn sympathie zich in extreme, literaire, keuzes voor een Rapaille-partij en fascistoïde kameraderie. Hoe verwarrend en gespleten de jaren 1920 in avantgardistische terugblik zijn geweest is hier nu goed te zien en te lezen.

Deze tentoonstelling over Wichman is wat betreft ‘ervaring’ een fraaie tegenhanger van Taminiau. Beide zijn instructief waar het gaat om twee soorten specifiek onderzoek, namelijk de transpositie van atelier naar een museumsituatie en de koppeling van kunst en romantische handelswijze.

*Dit najaar nog komt er een nieuwe biografie uit van Erich Wichman, met oeuvrecatalogus, door Frans van Burkom.
**In 1983 vond er reeds een Wichman-expositie plaats in Utrecht die overgenomen werd door het Drents Museum te Assen in hetzelfde jaar. Titel catalogus: Tussen idealisme en rancune.

Museale toekomst

Museale toekomst
Het Museumtijdschrift vraagt zich bij haar 30 jarig jubileum af hoe “Directeuren, kunstenaars en kenners” denken over het museum van de toekomst. Dat is lovenswaardig, haar eigen bestaan en ontwikkeling hangen er mee samen. Dat is ook meteen het advies van Imare Limon en Zippora Elders: musea moeten vooral zelfkritisch reflecteren op hun bestaansvoorwaarden, inclusief de relatie met bezoekers. Marieke van Schijndel lijkt daar al bij voorbaat van uit te gaan, vanwege de ‘democratisering van het museum’ in de digitale samenleving. Inmiddels heeft oudgediende Jhim Lamoree al geconcludeerd dat musea nu vooral concurreren met de amusementsindustrie, zoals de Efteling. Een ontwikkeling die volgens Hans Houweling en Robbie Cornelissen alleen maar extremer wordt en, verwachten zij, tot veler tevredenheid. Het begin van deze trend is ingezet door Willem Sandberg halverwege de vorige eeuw. Sandberg introduceerde bijvoorbeeld het eerste museale restaurant met het oog op de ambitie het museum te maken tot ‘een brandpunt van het leven van nu’. Dat is toch iets anders dan de hedendaagse branding van een pretpark? Of is dat inderdaad ‘het leven van nu’? In dat ene, brandpunt, geval is het spiegelen van een maatschappijbeeld een veel complexere (informatie-) taak en wordt tegenwoordig al vaak genoeg door andere instituten en daartoe gespecialiseerde platforms gedaan. De meeste critici zien daarbij vooral een toename, of overname, van en door technologische toepassingen, naast het continueren van bestaande functies.
Daar staan twee opmerkelijke geluiden tegenover. Mariana Castillo Deball die drie jaar geleden bij frieze.com reeds de behoefte vertolkte aan een museum van de leegte, met ‘meditatiezalen’. Hetgeen ons herinnert aan een jaren 1980 debat en de daarin gestelde, nogal rigide, keuze tussen kermis en kerkhof als museummodel. Kunstenaarsinitiatieven namen in dit debat het voortouw met extreme en hybride voorbeelden door jonge kunstenaarscuratoren.
Het andere verrassende geluid maakt Eelco van Lingen: ‘Ik vermoed dat we nu liever niet willen weten hoe het museum over dertig jaar functioneert, omdat we, bezien vanuit onze huidige positie, de maatschap­pelijke context van 2048 niet zullen kunnen begrijpen” (p.104). Het is duidelijk geen vergezicht, maar geeft wel een eerlijke stand van zaken met, naar we hopen, een open blik naar toekomstige verhoudingen, waarin keuzes gemaakt moeten worden op grond van een specifieke collectie in relatie tot publieksdoelstellingen. Een actuele erfgoedvisie in samenhang met een brede culturele infrastructuur waarin lokale omstandigheden serieuzer genomen worden dan economische ‘leisure’-principes. De toekomst laat zich niet veralgemeniseren, maar de discussie omtrent behoud van geheugen- en kennisobjecten verdient terecht alle aandacht.
Meer nog in dit jublileumnummer. Een aardig exemplarisch overzicht van kunst in de openbare ruimte van de afgelopen 30 jaar en een interessante recensie van Jeroen Junte naar aanleiding van California: Designing Freedom, een tentoonstelling van het Design Museum Londen, nu overgenomen in Den Bosch. Hoe het DIY-ideaal en het ‘radicaal optimisme’ uit de vorige eeuw deels werd gekaapt, gekapitaliseerd, door middel van huishoudelijk ‘design’. Anders gezegd: van Verbeelding naar Ombeelding naar Tegenbeelden.
Museumtijdschrift geeft verder een prima overzicht van het totaal aan (inter)nationale kunstevenementen tot uiting komend in spitse commentaren en bondige aanvullende teksten. Maar ook in dit kunstblad zie je het belang van advertenties als een soort speciale attractie. Het is een bladerblad. De digitale communicatie op de site heeft daarom extra zoekfuncties. Een goede aanvulling op je agenda.

*DeFKa Research organiseert jaarlijks in november de Sandberglezing. Wil Sandberg bracht in Assen zijn jeugd (1904-1919) door aan de Beilerstraat. Het Stedelijk Museum voor Hedendaagse Kunst Assen, SMAHK, maakte van 2009-2018 een zelfstandig deel uit van DeFKa.

Individualisme, Verbeelding, Voorwaarde

86A66399-4D5B-40A0-868C-46A1436FEE98.jpeg

Individualisme in Verbeelding
Nogal curieus stelde Joris Luyendijk na zijn kritische analyse van het neoliberale bankiersindividualisme deze voor als ‘rebels’ en logisch uitvloeisel van het permissieve jaren 1968-hippietijdperk. Hij hield vervolgens een pleidooi voor een meer paternalistische politiek, vergelijkbaar met de jaren vijftig. Precies tegen deze bijna Bolkensteinse pervertering van de geschiedenis opponeert Halsema middels een herwaardering van ‘de meest progressieve periode uit de Nederlandse geschiedenis’. Ze verwijst hierbij -zeer opportuun – naar het Manifest voor de jaren zeventig, zie Van der Lans/Verbij.
“Het individualisme van de jaren zeventig was een moreel individualisme, gebaseerd op de overtuiging dat de mens met zichzelf en de gemeenschap het beste voor heeft. Het individualisme van de jaren tachtig is daarentegen een economisch individualisme, dat ervan uitgaat dat de gemeenschap het meest gediend is met koel calculerende burgers die hun eigen materiële belangen vooropstellen”.
Dit verschil is Luyendijk natuurlijk ook niet ontgaan toen hij het bankiersmilieu als ‘amoreel’ kenschetste op de vraag naar de ethiek in de Verbeelding die juist in de collectieve ambities van die jaren 60/70 wel aanwezig was.

*Lezing Joris Luyendijk, Assen PZ, 6 april 2018
** Femke Halsema, essay Macht en Verbeelding, april 2018
***Leessuggestie: Merijn Oudenampsen, proefschrift 2018

FC99941D-4ADE-40F3-995E-82F671C8A08F

Verbeelding als Voorwaarde
Tijdens een compact betoog over het constitutieve karakter van de verbeelding ten aanzien van kennis en verwerkelijking, onderscheidde Albert van der Schoot primaire (Kant) en secundaire verbeelding (Coleridge). De eerste is vooral theoretisch-rationalistisch van aard, bij het tweede is vooral betekenis en zingeving bepalend. Hetgeen tevens een groeiende artistieke verruiming (Blake) betrof richting empirisch onderzoek en imitatiedwang. In dialoog met zijn publiek kwam Van der Schoot tot een nuancering van jaren 68 ambities: de idee van maakbaarheid moest uiteindelijk gerelativeerd. Oftewel, de verwachtingen die de Verbeelding opriep moesten worden bijgesteld. Dat zou de les kunnen zijn als het gaat om nieuwe handelingsperspectieven.

Onuitgesproken en complexer blijft de vraag naar de communicatieve symboliek, de verstaanbaarheid van (beeld)taal. Met andere woorden: het singuliere of universele begrip – de mogelijke, vrije, interpretatie – van Verbeelding. In het verlengde daarvan verschijnt opnieuw de relatie kunst-filosofie-mythologie.

*Lezing Albert van der Schoot, Assen ZIZ, 8 april 2018
**Leessuggestie: William Blake, The Marriage of Heaven and Hell, 1793

Correctie Activiteiten Agenda

Lezing Gawie Keyser op 12 april gaat niet door.
In plaats daarvan: op Zondagmiddag 29 april, 15.30 – 17.00 uur, Afsluiting Maand van de Filosofie. Voorafgaand filmvertoning om 14.00 uur “in huiselijke kring” en daarna discussie om 15.30 uur naar aanleiding van essay Macht en Verbeelding geschreven door Femke Halsema.
Locatie: DeFKa Research/Boekhandel Van der Velde.
Noot: Reserveer aub of mail voor meer informatie.

Lezing Joris Luyendijk met ‘De bankiers aan de macht … of toch de verbeelding’ op 6 april in Podium Zuidhaege. Organisatie in samenwerking met Metaforum Assen. Noot: Toegangskaarten uitverkocht.